Op 12 juni heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over de verplichting tot (her)identificatie van klanten door betaaldienstverleners.
De zaak betreft een kaarthouder die weigert mee te werken aan heridentificatie in het kader van het cliëntenonderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), met name vanwege het vereiste om een kopie van haar identiteitsbewijs inclusief pasfoto te verstrekken en te laten opslaan.
In het tussenarrest van 13 maart overwoog de Hoge Raad dat een pasfoto niet zonder meer kwalificeert als biometrisch gegeven in de zin van artikel 4(14) AVG. Daarvoor is vereist dat sprake is van een specifieke technische verwerking van fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon. Een gewone pasfoto kan in dat kader de bron vormen voor biometrische verwerking, maar is niet automatisch zelf al een biometrisch gegeven.
In het verwijzingsarrest van 12 juni komt de Hoge Raad daarop nog niet definitief terug, maar legt hij alsnog vragen voor over de kwalificatie en toelaatbaarheid van de verwerking van foto’s voor identificatiedoeleinden. Dit is mede in het licht van arres Comdribus, waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) oordeelde dat het nemen van vingerafdrukken en foto’s voor identificatiedoeleinden in een strafrechtelijke context verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens kan raken en slechts onder strikte voorwaarden is toegestaan, waaronder strikte noodzakelijkheid en een voldoende concrete motivering.
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld, die zien op de kwalificatie en toelaatbaarheid van de verwerking van pasfoto’s, waaronder de vraag of het vastleggen en opslaan van een gezichtsfoto voor identificatiedoeleinden onder omstandigheden als verwerking van biometrische gegevens kan worden aangemerkt. Daarnaast vraagt de Hoge Raad of foto’s waarop een persoon herkenbaar is afgebeeld kunnen kwalificeren als persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst blijkt in de zin van artikel 9 AVG, en onder welke voorwaarden dat het geval is.
Ook ten aanzien van de bewaarplicht onder de Wwft legt de Hoge Raad de kernvraag bij het HvJ EU neer. Hij vraagt of AML richtlijn die de bron is van de Wwft lidstaten verplicht om financiële instellingen te laten voorzien in een bewaarplicht van een afschrift van het identiteitsbewijs. Daarbij wordt expliciet de vervolgvraag gesteld of een dergelijke bewaarplicht ook het bewaren van een volledige kopie, inclusief pasfoto, omvat.
De kernvragen over de kwalificatie van pasfoto’s onder artikel 9 AVG en de omvang van de bewaarplicht onder de Wwft liggen dus nog open. De beantwoording van de prejudiciële vragen zal bepalend zijn voor de verdere inrichting van cliëntidentificatie en KYC-processen.